§7.1 Wijzigen van de Grondwet

Online Portal voor leerlingen maatschappijleer

De Nederlandse Grondwet stamt uit 1814 en is dus gemaakt in een andere Nederlandse samenleving dan die waarin we nu leven. Toch hebben we nog grotendeels dezelfde Grondwet als twee eeuwen geleden. Het wijzigen van de Grondwet duurt erg lang, zoals je in het boek in §7.1 al hebt kunnen lezen. Het is ook goed dat dit lang duurt en ingewikkeld is, want anders zou de Grondwet zomaar kunnen veranderen als een kleine groep, die op dat moment aan de macht is, dat wil.

Het wijzigen van de Grondwet gaat als volgt. Als eerst moet er een overwegingswet worden aangenomen door de Eerste en de Tweede Kamer. Het aannemen van deze wet gaat net als het aannemen van een normale wet, en gebeurt dus als in beide Kamers een meerderheid is. Zo’n overwegingswet geeft eigenlijk aan dat er een intentie is om de Grondwet te veranderen. Daarna moet de Tweede Kamer opnieuw gekozen worden en deze nieuwe Kamer moet dan samen met de Eerste Kamer beslissen over de wijziging van de Grondwet. Bij deze beslissing moet er een tweederdemeerderheid zijn voordat de Grondwet daadwerkelijk gewijzigd kan worden. Hier gaat aardig wat tijd over heen en dat is dus ook de reden dat kleine wijzigingen vaak via een normale wet worden geregeld. 

De Grondwet van 1814 moest een jaar later, in 1815, voor het eerst gewijzigd worden omdat België bij Nederland gevoegd moest worden. Naast de samenvoeging van de twee landen werd ook in de Grondwet gezegd dat er twee Kamers moesten komen: een Tweede Kamer die wetsvoorstellen indient en erover stemt en een Eerste Kamer die wetsvoorstellen alleen kan goedkeuren of afkeuren. In 1830 verklaarde België zich onafhankelijk van Nederland en toen dit in 1839 officieel erkend werd, moest de Grondwet natuurlijk weer gewijzigd worden. Ook werd de provincie Holland in tweeën gedeeld en ontstonden Noord-Holland en Zuid-Holland.

De volgende Grondwetswijziging was die van 1848, waarover je in §6.1 hebt gelezen. Thorbecke nam hier samen met acht andere mannen het initiatief voor. Ze streefden naar meer invloed van de Tweede Kamer (en minder van de Koning) en rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer. Ook werden ministers verantwoordelijk voor het beleid van de regering in plaats van de Koning. Toenmalige Koning Willem II wilde eerst niet zo meewerken aan deze Grondwetswijziging, maar deed dit uiteindelijk wel omdat hij bang was voor een opstand in Nederland. Hij gaf Thorbecke de opdracht om een voorstel te maken voor de nieuwe Grondwet. Wat er uiteindelijk in de Grondwet van 1848 kwam te staan, kun je hier lezen. In deze Grondwet werd begonnen met het invoeren van het kiesrecht, wat er uiteindelijk toe leidde dat in 1972 alle Nederlanders boven de 18 jaar het kiesrecht hebben. 

De laatste keer dat de Grondwet serieus is gewijzigd, in 1983, werd hij gemoderniseerd op verschillende vlakken. Zo is artikel 1 over het verbod op discriminatie toegevoegd, net als artikel 11 over onaantastbaarheid van ieders lichaam en kreeg de overheid de verplichting om de werkgelegenheid te bevorderen. Een verandering wat betreft politiek was de verlaging van de minimumleeftijd om lid te zijn van de Eerste en Tweede Kamer. Voor 1983 was dat 25 jaar, maar vanaf toen is dat 18 jaar geworden. Meer over deze Grondwetswijziging vind je hier.

 

naar §7.2havo maatschappijleer

 

terug naar hoofdstuk 7havo maatschappijleer